LYMFOEDEEM.INFO
|
|||
|
LYMFOEDEEM |
|||
LYMFOEDEEM
Oedeem is een
abnormale ophoping van vocht in het weefsel.
Er zijn verschillende vormen van lymfoedeem.
Primair lymfoedeem is een aangeboren afwijking van het lymfstelsel. De
vaten zijn te klein of er zijn onvoldoende vaten aangelegd. Het komt meer voor
aan de benen dan aan de armen en vaker bij vrouwen dan bij mannen. Het oedeem
manifesteert zich meestal niet in de kindertijd, maar bij de puberteit,
zwangerschap of de menopauze.
Secondair
lymfoedeem ontstaat als gevolg van een beschadiging aan het
lymfestelsel. Behalve het lymfevocht, worden de eiwitten onvoldoende
afgevoerd.
Als op de tekening te zien is, zwerven de eiwitten vrij rond
(fase1). Daarna trekken zij elkaar aan (fase2) en vervolgens ontstaan er
verbindingen (fase3).
In de eerste fase zwerven de eiwitten dus vrij rond.
Behandeling: als je een arm in deze fase zwachtelt, kan je in korte tijd het
vocht uit de arm persen.
Men kan voorkomen dat een kous gedragen moet worden en indien dit toch nodig is,
slechts voor een beperkt aantal uren per dag.
In de tweede fase gaan de eiwitten over in een soort gelei. Dit gelei is
in het begin verplaatsbaar, maar wordt steeds taaier.
Behandeling: behalve het zwachtelen, kan de therapeut door massage deze
klonteringen verplaatsen en verbreken.
Door het verplaatsen voorkom je dat het verbindweefseld.
Door het verbreken breng je het weer terug naar de eerste fase en kan het weer
afgevoerd worden.
Dit stadium kan maande, zelfs jaren duren.
Deze verhardingen zitten m.n. aan de buitenzijde van de onderarm en in de hand.
Het dragen van de kous wordt in deze fase steeds intensiever.
In de derde fase gaat het gelei over in een bindweefsel. Dit bindweefsel
is niet meer verplaatsbaar en de aandoening is chronisch geworden.
Behandeling: in dit stadium kan de omvang van het ledemaat wel iets verminderen.
Behalve het bindweefsel, zit er ook nog vocht in de arm, wat nog wel
verplaatsbaar is. Het weefsel wordt zachter en heeft een betere conditie.
Bij ernstige oedemen kan je geheel niet meer zonder kous.

Hier ziet u de fase dat het oedeem nog verplaatsbaar is.
De mate van voorkomen van oedeem is afhankelijk van de bestraling.
Als
alleen de klieren verwijderd zijn komt het in 5-10 % voor.
Als de oksel tevens bestraald is: 35%.
Als het weefsel in de hals ook nog bestraald is, loopt de kans nog verder op.
Bestraling heeft o.a. als effect schrompeling van bindweefsel. Dit is
pas vaak op zijn hoogtepunt 1 jaar na de bestraling.
Niet iedereen krijgt na een dergelijke behandeling oedeem, maar zal in zijn of
haar leven toch altijd rekening moeten houden met een verminderd belastbare
lymfe-afvloed. Zo kunnen beschadigingen van het weefsel aan de aangedane
armzijde ook vele jaren na de operatie alsnog een lymfoedeem veroorzaken.
Beschadigingen zoals snijwonden, brandwonden, infecties e.d moeten dus met de
grootste zorg voorkomen
worden.
In het verleden werd deze techniek bijna altijd toegepast om te
voorkomen dat zich mogelijk kankercellen zouden nestelen in de lymfklieren. In
een groot aantal gevallen bleek pas achteraf dat de verwijderde lymfklieren
niet “besmet” waren. De laatste jaren zijn er nieuwe technieken ontwikkeld
waarbij men vooraf kan bepalen of een okselkliergroep al dan niet geďnfecteerd is. Deze techniek heet het toepassen van de
schildwachtklier procedure.
Men heeft in beginsel10-24 lymfeklieren in iedere oksel.